Voor IT-managers en CIO’s die steeds meer AI-toepassingen in hun infrastructuur opnemen, ontstaat een nieuw probleem: hoe meet je eigenlijk wat AI werkelijk kost en welke zakelijke waarde daar tegenover staat? De nieuwe Tokenomics Foundation, een project van de Linux Foundation, wil daarvoor standaarden, benchmarks en best practices ontwikkelen. Het initiatief kijkt daarbij nadrukkelijk verder dan alleen de prijs van de tokens die AI-modellen verwerken.
De gedachte achter de nieuwe discipline is relatief eenvoudig. AI-infrastructuur zet energie en kapitaal om in rekenkracht, die vervolgens wordt gebruikt om AI-diensten te leveren. Die diensten moeten uiteindelijk een zakelijk resultaat opleveren. De Tokenomics Foundation vat dat samen als een keten van energie naar intelligentie naar waarde.
Dat lijkt misschien vooral een financieel vraagstuk, maar voor IT-organisaties raakt tokenomics direct aan infrastructuurarchitectuur, cloudstrategie, modelkeuze, capaciteit, energiegebruik en performance.
AI-kosten zijn meer dan de prijs per token
Veel aanbieders van generatieve AI rekenen het gebruik van modellen af op basis van tokens. Een token is grofweg een stukje tekst dat door een model wordt gelezen of geproduceerd. Daardoor lijkt het aantrekkelijk om vooral naar de prijs per miljoen tokens te kijken wanneer modellen of AI-platforms met elkaar worden vergeleken.
Volgens de Tokenomics Foundation geeft dat echter een onvolledig beeld. Rond iedere modelaanroep bevindt zich inmiddels een complete technische infrastructuur. Denk aan retrievalsystemen, embeddings, caches, orchestratieplatforms, evaluatiesystemen, beveiliging, governance en de software waarmee verschillende modellen en databronnen aan elkaar worden gekoppeld. Ook de mensen die deze infrastructuur bouwen en beheren horen uiteindelijk bij de totale kosten van een AI-toepassing.
Dat wordt belangrijker naarmate organisaties AI op grotere schaal inzetten. Bij een experiment met enkele tientallen gebruikers zijn dergelijke kosten vaak nauwelijks zichtbaar. Zodra honderden of duizenden medewerkers AI gebruiken, of AI onderdeel wordt van bedrijfsprocessen en applicaties, verandert het kostenplaatje snel. De Foundation ziet daarom een verschuiving van de eerste AI-golf, waarin vooral werd gekeken naar wat modellen konden, naar een fase waarin efficiëntie en zakelijke waarde centraal komen te staan.
Niet iedere workload heeft hetzelfde model nodig
Een van de belangrijkste vragen voor IT-afdelingen wordt daardoor welk model voor welke toepassing moet worden ingezet.
Een groot frontiermodel kan uitstekende resultaten leveren, maar dat betekent niet automatisch dat iedere AI-workload zo’n model nodig heeft. Een relatief eenvoudige classificatietaak kan bijvoorbeeld goedkoper en soms zelfs nauwkeuriger worden uitgevoerd door een kleiner, specifiek afgestemd model.
Voor complexere toepassingen kan juist meer rekenkracht noodzakelijk zijn. Agentic AI is daarvan een goed voorbeeld. Bij een traditionele chatbot leidt één gebruikersvraag meestal tot één of enkele modelaanroepen. Een AI-agent kan naar aanleiding van dezelfde opdracht meerdere modellen, databases en softwaretools aanroepen en bovendien verschillende tussenstappen uitvoeren.
Daarmee kan het tokengebruik per gebruiker snel toenemen. De Tokenomics Foundation wijst erop dat een simpele berekening op basis van het aantal gebruikers, het gemiddelde aantal verzoeken en het aantal tokens per verzoek daarom al snel onvoldoende is. Reasoning-modellen gebruiken bijvoorbeeld ook interne tokens voor hun redeneerproces, terwijl agentic workflows vanuit één prompt meerdere modelaanroepen kunnen veroorzaken.
AI-capaciteit wordt moeilijker voorspelbaar
Dat maakt capaciteitsplanning eveneens ingewikkelder. Bij traditionele cloudinfrastructuur beschikken IT-afdelingen inmiddels over allerlei technieken om kosten en capaciteit redelijk goed te voorspellen. Virtuele machines kunnen worden gerightsized, reserved instances kunnen voor langere tijd worden ingekocht en workloads kunnen relatief eenvoudig worden gekoppeld aan CPU‑, geheugen- of storagegebruik.
Bij AI ligt dat anders. De Foundation stelt zelfs dat AI in economisch opzicht sterker verschilt van cloudcomputing dan cloudcomputing destijds van het traditionele datacenter. Een belangrijke reden is de snelheid waarmee modellen en AI-hardware veranderen. Waar servers jarenlang kunnen worden afgeschreven, kan een AI-model binnen enkele maanden alweer zijn ingehaald door een nieuw model. Langdurige capaciteits- of technologiekeuzes worden daardoor lastiger.
Bovendien is de relatie tussen capaciteit en kosten minder lineair. Factoren zoals contextlengte, caching, modelrouting en de gebruikte tokenizer kunnen grote invloed hebben op de daadwerkelijke kosten van een workload.
Van GPU-uur naar kosten per bruikbare token
Ook voor organisaties die zelf AI-infrastructuur bouwen of dedicated GPU-capaciteit afnemen, kan dit gevolgen hebben voor de manier waarop infrastructuur wordt beoordeeld.
Traditioneel wordt bijvoorbeeld gekeken naar de prijs van een GPU of de kosten per GPU-uur. Volgens de Tokenomics Foundation zegt dat echter vooral iets over de kosten van de hardware en nog relatief weinig over wat deze hardware daadwerkelijk produceert.
Daarom stelt de organisatie voor om onder andere naar cost per token te kijken: hoeveel kost het daadwerkelijk om een bepaalde hoeveelheid AI-output te produceren?
Daarmee worden hardware, software en de efficiëntie van de inferencestack gezamenlijk onderdeel van de berekening. Twee infrastructuuromgevingen met dezelfde GPU’s kunnen in de praktijk immers verschillende hoeveelheden tokens produceren als de gebruikte inference-software anders is geoptimaliseerd.
Voor IT-managers die eigen GPU-clusters, private AI-clouds of dedicated AI-capaciteit onderzoeken, kan dat een belangrijk onderscheid worden. De aanschafprijs van accelerators zegt dan minder dan de hoeveelheid bruikbare AI-capaciteit die gedurende de levensduur van die infrastructuur kan worden geleverd.
Modelrouting wordt onderdeel van kostenbeheer
Tegelijkertijd verschuift optimalisatie steeds meer naar de softwarelaag.
Technieken als modelrouting kunnen bijvoorbeeld bepalen welk AI-model voor een bepaalde opdracht wordt gebruikt. Een eenvoudige vraag kan automatisch naar een goedkoop klein model worden gestuurd, terwijl alleen complexere opdrachten bij een zwaarder model terechtkomen.
Ook caching kan belangrijk worden. Wanneer dezelfde context voortdurend opnieuw naar een model wordt gestuurd, moeten grote hoeveelheden tokens telkens opnieuw worden verwerkt. Door eerder verwerkte informatie slim te hergebruiken kunnen zowel infrastructuurbelasting als kosten dalen.
Andere technieken zijn quantization, waarbij modellen met een lagere numerieke precisie draaien zodat meer workloads op dezelfde hardware passen, en optimalisatie van prompts en contextvensters.
Volgens de Foundation gaat het daarbij niet simpelweg om zo weinig mogelijk tokens gebruiken. Het doel is zoveel mogelijk bruikbare output uit de beschikbare AI-capaciteit halen. Een goedkoop model dat regelmatig verkeerde resultaten levert, kan uiteindelijk immers duurder zijn dan een groter model dat een taak direct correct uitvoert.
FinOps voor AI
De Tokenomics Foundation werkt nauw samen met de eveneens onder de Linux Foundation vallende FinOps Foundation. Dat is logisch: FinOps ontstond juist om organisaties meer inzicht en controle te geven over variabele cloudkosten.
AI introduceert volgens de initiatiefnemers echter een aantal nieuwe vraagstukken waarvoor traditionele FinOps-methoden niet voldoende zijn. Tokenomics kijkt daarom naar drie onderdelen: productie van AI-capaciteit, consumptie daarvan en uiteindelijk de zakelijke waarde die ermee wordt gerealiseerd.
Daarbij moet een relatie ontstaan tussen technische metrics en bedrijfsresultaten.
Een klantenserviceorganisatie kan bijvoorbeeld meten hoeveel AI-capaciteit nodig is om een klantvraag af te handelen. Maar uiteindelijk is niet het aantal tokens interessant. Relevanter zijn zaken als kortere afhandelingstijden, hogere klanttevredenheid of minder werk voor medewerkers.
Hetzelfde geldt voor softwareontwikkeling. Het aantal prompts dat een programmeur naar een AI-assistent stuurt zegt weinig over de waarde daarvan. De interessante vraag is of software sneller wordt ontwikkeld, fouten eerder worden gevonden of developers meer werk kunnen verzetten.
CIO krijgt er een nieuwe kostenpost bij
Voor CIO’s betekent dit dat AI waarschijnlijk niet simpelweg als extra onderdeel van het bestaande cloudbudget kan worden beheerd. Naarmate AI dieper wordt geïntegreerd in applicaties en bedrijfsprocessen, moeten organisaties inzicht krijgen in welke modellen worden gebruikt, hoeveel inference-capaciteit applicaties verbruiken en welke zakelijke resultaten daar tegenover staan.
Daar komt nog bij dat lagere kosten per token niet automatisch leiden tot lagere totale AI-uitgaven. De Foundation verwijst hierbij naar de bekende Jevons-paradox: zodra technologie efficiënter en goedkoper wordt, neemt het gebruik vaak juist zo sterk toe dat de totale kosten alsnog stijgen. Bij AI is dat mechanisme volgens de organisatie duidelijk zichtbaar.
Dat risico neemt toe met de opkomst van AI-agents. Een medewerker die voorheen enkele prompts per dag invoerde, kan straks software gebruiken waarin tientallen of honderden modelaanroepen automatisch plaatsvinden zonder dat de gebruiker daar iets van merkt.
Van AI-experiment naar AI-operatie
Juist daar ligt waarschijnlijk de belangrijkste betekenis van tokenomics voor IT-managers.
De afgelopen jaren draaiden veel AI-projecten om pilots, proofs of concept en losse toepassingen. De komende fase draait steeds vaker om operationele AI-systemen die continu onderdeel zijn van bedrijfsprocessen.
Op dat moment worden onderwerpen als capaciteit, latency, beschikbaarheid, energiegebruik en kosten net zo belangrijk als de kwaliteit van het AI-model zelf.
De Tokenomics Foundation wil hiervoor uiteindelijk vendorneutrale definities, benchmarks en specificaties ontwikkelen. Ook moet de bestaande FOCUS-specificatie, die technologiekosten op een gestandaardiseerde manier beschrijft, worden uitgebreid richting tokengebaseerde AI-uitgaven.
Voor CIO’s ontstaat daarmee een nieuw vakgebied tussen infrastructuurbeheer, FinOps en AI-governance. Niet de vraag hoeveel tokens een organisatie gebruikt staat daarbij centraal, maar hoeveel energie, infrastructuur, software en geld nodig zijn om via AI daadwerkelijk bedrijfswaarde te produceren.
En naarmate AI-workloads groter en autonomer worden, zal die vraag alleen maar belangrijker worden.





0 Reacties