Data science is de sleutel tot betrouwbare AI

Data science is de sleutel tot betrouwbare AI

Dat lijkt wellicht een open deur, ware het niet dat kunst­ma­tige intel­li­gentie vaak wordt besproken alsof het vooral draait om steeds grotere modellen, krach­ti­gere chips en slimmer opge­bouwde soft­ware. Maar volgens Gaël Varo­quaux, CSO van Probabl en onder­zoeks­di­rec­teur bij Inria (het Franse nati­o­nale insti­tuut voor research in digital science en tech­no­logie), mist die bena­de­ring een belang­rijk punt. AI mag dan het zicht­bare eind­pro­duct zijn, de werke­lijke basis ligt in data science. Niet als program­meer­dis­ci­pline, maar als statis­ti­sche manier van denken.

Die bood­schap is rele­vant nu steeds meer orga­ni­sa­ties AI-systemen in productie willen nemen. Gene­ra­tieve AI, taal­mo­dellen en AI-agents beloven processen te auto­ma­ti­seren, beslis­singen te onder­steunen en kennis­werk te versnellen. Tege­lijk lopen bedrijven en over­heden tegen dezelfde vraag aan: wanneer is een AI-uitkomst eigen­lijk betrouw­baar genoeg om ernaar te handelen? Volgens Varo­quaux ligt het antwoord niet alleen in betere modellen, maar vooral in beter begrip van data, onze­ker­heid, bias en vali­datie.

Data science is niet hetzelfde als AI, stelt hij vast. Het is eerder de voedings­bodem waaruit moderne AI is ontstaan. De kern van data science is het gebruiken van data om betere modellen en inzichten te bouwen. Dat gebeurt in uiteen­lo­pende toepas­singen: van gezond­heids­zorg en logis­tiek tot produc­tie­op­ti­ma­li­satie, frau­de­de­tectie, aanbe­ve­lings­sys­temen en cyber­se­cu­rity. Dezelfde manier van werken heeft ook de basis gelegd voor de huidige gene­ratie beeld- en taal­mo­dellen.

Data science ≠ software engineering

Toch wordt data science in orga­ni­sa­ties nog vaak behan­deld als een vorm van soft­ware engi­nee­ring. Dat is volgens Varo­quaux te beperkt. Natuur­lijk speelt code een rol, maar de echte moei­lijk­heid zit ergens anders: in statis­tisch rede­neren. Welke data zijn verza­meld? Wat ontbreekt er? Waar zit verte­ke­ning? Kan een model gene­ra­li­seren naar nieuwe situ­a­ties? En onder­steunen de voor­spel­lingen daad­wer­ke­lijk de beslis­singen waar­voor ze worden gebruikt?

Die vragen worden belang­rijker naar­mate AI-systemen zelf­stan­diger gaan opereren. Zeker bij AI-agents, die niet alleen infor­matie geven maar ook acties mogen uitvoeren, kunnen fouten direct gevolgen hebben. Een model dat over­tui­gend klinkt maar op de verkeerde data is geba­seerd, kan dan leiden tot verkeerde adviezen, verkeerde prio­ri­teiten of zelfs onge­wenste auto­ma­ti­sche beslis­singen.

AI-uitkomsten zijn probabilistisch

Een centraal probleem is dat AI-uitkom­sten proba­bi­lis­tisch zijn. Een taal­model geeft geen antwoord zoals een klas­sieke regel­ge­ba­seerde appli­catie dat doet. Het herkent patronen, legt verbanden en produ­ceert een waar­schijn­lijke uitkomst op basis van enorme hoeveel­heden gege­vens. Dat werkt indruk­wek­kend goed bij veel taken, maar het bete­kent ook dat onze­ker­heid nooit volledig verdwijnt.

Daarom wijst Varo­quaux op het belang van kali­bratie: als een model aangeeft voor 80 procent zeker te zijn, zou het in onge­veer 80 procent van de gevallen gelijk moeten hebben. In de prak­tijk is dat echter lastiger dan het lijkt. Een model kan gemid­deld rede­lijk goed geka­li­breerd zijn, terwijl het voor speci­fieke groepen of onder­werpen grote fouten maakt. Bijvoor­beeld omdat bepaalde talen, landen, personen of kennis­do­meinen veel beter verte­gen­woor­digd zijn in de trai­nings­data dan andere.

Dat maakt AI-fouten niet alleen tech­nisch, maar ook sociaal en orga­ni­sa­to­risch rele­vant. Een model kan bij bekende onder­werpen betrouw­baar lijken, maar bij minder goed gedo­cu­men­teerde onder­werpen met even­veel zelf­ver­trouwen verkeerde infor­matie geven. Voor bedrijven en over­heden is dat een belang­rijk aandachts­punt. Zeker wanneer AI wordt gebruikt in domeinen waar beslis­singen impact hebben op mensen, processen of middelen, is gemid­delde nauw­keu­rig­heid onvol­doende. Orga­ni­sa­ties moeten weten waar en voor wie een model faalt.

Zwakke plekken zichtbaar maken

Data science biedt de methoden om die zwakke plekken zicht­baar te maken, schrijft Varo­quaux. Het helpt onder­scheid te maken tussen fouten die te verbe­teren zijn en onze­ker­heid die inhe­rent is aan de data. Sommige verschijn­selen zijn nu eenmaal moei­lijk of onmo­ge­lijk exact te voor­spellen op basis van de beschik­bare gege­vens. Andere fouten wijzen juist op tekort­ko­mingen in het model, de dataset of de manier waarop data zijn verza­meld.

Dat onder­scheid is cruciaal. Meer data of een groter model is niet altijd de oplos­sing. Als de beschik­bare data niet repre­sen­ta­tief zijn voor de situ­atie waarin het model wordt gebruikt, kan opschalen het probleem zelfs verhullen. Een model kan dan steeds beter worden in het repro­du­ceren van een verte­kend beeld van de werke­lijk­heid. Vooral selectie-bias is daarbij gevaarlijk,meent Varo­quaux: de dataset lijkt rijk, maar is ontstaan via een proces dat de relatie tussen input en uitkomst verstoort.

Een bekend voor­beeld komt uit de zorg. Een model dat pati­ënt­uit­kom­sten voor­spelt op basis van histo­ri­sche data kan leren dat behan­delde pati­ënten slech­tere uitkom­sten hebben. Dat is op zich­zelf logisch, omdat juist zieke pati­ënten vaker behan­deld worden. Maar als zo’n model vervol­gens wordt gebruikt om behan­del­be­slis­singen te onder­steunen, kan het de verkeerde conclusie trekken: niet behan­delen lijkt statis­tisch gunstiger, terwijl behan­de­ling juist nodig kan zijn. In zo’n geval is niet alleen voor­spel­ling nodig, maar causaal rede­neren.

Patronen herkennen én beslissingen sturen?

Daar raakt data science aan een van de grootste uitda­gingen voor enter­prise AI. Veel orga­ni­sa­ties willen AI niet alleen inzetten om patronen te herkennen, maar ook om beslis­singen te sturen. Dan is het niet genoeg om te weten wat ‑waar­schijn­lijk- gebeurt. De vraag wordt wat er gebeurt als een orga­ni­satie ingrijpt. Welke actie veran­dert de uitkomst? En is dat effect echt af te leiden uit de beschik­bare data? Dat zijn geen eenvou­dige machine learning-vragen, maar klas­sieke data­s­cience-vragen waarin statis­tiek, domein­kennis en vali­datie samen­komen.

Ook vali­datie blijft een belang­rijk knel­punt, meent Varo­quaux. De basis­regel is eenvoudig: test een model op data waarop het niet is getraind. In de prak­tijk gaat dat vaak mis. Data leakage, waarbij infor­matie uit de testset onbe­doeld in de trai­nings­fase terecht­komt, kan pres­ta­ties kunst­matig opblazen. Een model lijkt dan sterk in ontwik­ke­ling, maar valt tegen zodra het in productie wordt gebruikt.

Daar komt bij dat de gekozen meet­waarde grote invloed heeft op het beeld van succes. Accu­racy is eenvoudig te begrijpen, maar kan mislei­dend zijn bij scheve data­sets. Een frau­de­model kan bijvoor­beeld een hoge nauw­keu­rig­heid halen door bijna alles als niet-fraude te clas­si­fi­ceren, terwijl het zake­lijk weinig waarde toevoegt. Goede evalu­atie moet daarom aansluiten op de werke­lijke toepas­sing: kosten, risico’s, beslis­sings­waarde en impact.

Aandacht verbreden

Voor AI in productie bete­kent dit dat orga­ni­sa­ties hun aandacht moeten verbreden. Het bouwen of inkopen van een model is slechts één onder­deel van het proces. Minstens zo belang­rijk zijn data­kwa­li­teit, repre­sen­ta­ti­vi­teit, onze­ker­heids­in­schat­ting, evalu­a­tie­me­tho­diek en moni­to­ring na inge­bruik­name. Zeker bij toepas­singen in indu­strie, zorg, finance, over­heid en logis­tiek zijn die vragen bepa­lend voor de vraag of AI betrouw­baar genoeg is.

De bood­schap van Varo­quaux past daarmee in een bredere verschui­ving in de AI-markt. Na de eerste golf van enthou­si­asme over gene­ra­tieve AI groeit de aandacht voor productie, gover­nance en betrouw­baar­heid. Orga­ni­sa­ties willen niet alleen expe­ri­men­teren met chat­bots of copi­lots, maar AI-systemen inzetten in echte processen. Juist daar blijkt dat statis­tisch denken geen acade­misch detail is, maar een prak­ti­sche voor­waarde.

Data science is dus niet achter­haald door de opkomst van grote AI-modellen. Inte­gen­deel, stelt Varo­quaux: de disci­pline wordt juist belang­rijker. Naar­mate AI krach­tiger wordt en dichter op besluit­vor­ming komt te zitten, neemt de nood­zaak toe om beter te begrijpen wat data wel en niet kunnen zeggen. De toekomst van AI draait daar­door niet alleen om schaal, auto­ma­ti­se­ring en model­pres­ta­ties, maar ook om de vraag of orga­ni­sa­ties zorg­vuldig genoeg rede­neren over de data waarop hun systemen steunen.

Wie AI betrouw­baar wil maken, moet daarom terug naar de basis, aldus Varo­quaux in zijn blog post. Niet omdat AI minder indruk­wek­kend is dan vaak wordt voor­ge­steld, maar omdat de waarde ervan uitein­de­lijk staat of valt met de kwali­teit van de data­we­ten­schap­pe­lijke onder­bou­wing. Data science is misschien niet hetzelfde als AI, maar zonder data science blijft AI een systeem dat over­tui­gend kan klinken zonder dat duide­lijk is wanneer het gelijk heeft.

Robbert Hoeffnagel

29 mei 2026 - 09:05

WEERGAVEN

0 Reacties

Gerelateerde berichten

DXC en ElevenLabs werken samen aan nieuwe AI-oplossingen met spraaktechnologie

DXC en ElevenLabs werken samen aan nieuwe AI-oplossingen met spraaktechnologie

Babcock versnelt digitale engineering met Dassault Systèmes

Babcock versnelt digitale engineering met Dassault Systèmes

Atos lanceert Atos Sovereign Cloud

Atos lanceert Atos Sovereign Cloud

Nog geen gerelateerde berichten...

0 Reactie(s)

0 Reacties

Plaats Een Reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Share This