De volgende fase van AI speelt zich niet alleen af in datacenters, browsers en chatvensters. AI-systemen moeten steeds vaker begrijpen hoe de fysieke wereld in elkaar zit én daar zelfstandig in kunnen handelen. Daardoor groeien twee technologiedomeinen die jarenlang grotendeels los van elkaar stonden snel naar elkaar toe: spatial computing en physical AI.
Spatial computing en robotica werden lange tijd gezien als verschillende technologiemarkten. Spatial computing draaide vooral om technologie waarmee mensen digitale informatie kunnen koppelen aan hun fysieke omgeving, bijvoorbeeld via augmented reality, virtual reality, mixed reality en digital twins. Robotica richtte zich juist op machines die hun omgeving waarnemen, bewegen en fysieke taken uitvoeren.
Volgens Robert Scoble en Irena Cronin van Unaligned begint dat onderscheid echter snel te verdwijnen. Beide domeinen krijgen namelijk steeds meer dezelfde technologische basis. AI-systemen moeten objecten kunnen herkennen, afstanden inschatten, beweging voorspellen en voortdurend begrijpen waar objecten, machines en mensen zich in een driedimensionale omgeving bevinden.
Daarmee ontstaat een interessante ontwikkeling voor bedrijven die professioneel met AI bezig zijn. De AI-modellen die vandaag vooral tekst, afbeeldingen en video verwerken, worden steeds nadrukkelijker onderdeel van systemen die niet alleen informatie interpreteren, maar ook de fysieke wereld waarnemen en daarin acties uitvoeren.
Van taalmodel naar ruimtelijk begrip
Een traditionele generatieve AI-toepassing hoeft nauwelijks iets te weten over de fysieke omgeving waarin een gebruiker zich bevindt. Voor een robot ligt dat fundamenteel anders. Een autonome machine moet voortdurend bepalen waar hij zich bevindt, welke objecten zich in zijn omgeving bevinden en hoe die objecten zich tot elkaar verhouden.
Spatial-computingsystemen hebben precies hetzelfde probleem. Een AR-bril moet bijvoorbeeld herkennen waar muren, machines en andere objecten staan voordat digitale informatie correct over het gezichtsveld van de gebruiker kan worden geplaatst.
Daarvoor worden technieken gebruikt zoals computer vision, LiDAR, dieptecamera’s, sensor fusion en SLAM, oftewel simultaneous localization and mapping. Met SLAM kan een systeem tegelijkertijd een kaart van zijn omgeving opbouwen en zijn eigen positie binnen die omgeving bepalen.
Het interessante is dat deze informatie niet noodzakelijk afzonderlijk hoeft te worden verzameld voor mensen en robots. Wanneer een fabriek, magazijn of gebouw eenmaal digitaal in kaart is gebracht, kunnen verschillende systemen in principe gebruikmaken van dezelfde ruimtelijke informatie.
Een onderhoudsmedewerker met een AR-bril en een autonome inspectierobot kunnen dan bijvoorbeeld dezelfde digitale kaart van een productieomgeving gebruiken.
Digital twins krijgen een tweede functie
Een belangrijke verbindende technologie is de digital twin. Deze virtuele representaties van machines, gebouwen en complete fabrieken worden al langer gebruikt om processen te visualiseren, ontwerpen te testen en onderhoud te plannen.
Door de opkomst van physical AI krijgen digital twins er echter een belangrijke functie bij: ze kunnen worden gebruikt als trainingsomgeving voor AI en robots.
In plaats van een robot direct op de fabrieksvloer te laten leren hoe hij een machine moet bedienen of door een magazijn moet navigeren, kan een groot deel van die training eerst virtueel plaatsvinden. Binnen een simulatie kunnen robots enorme aantallen handelingen uitvoeren zonder risico op schade aan machines, producten of mensen.
Dat kan vooral belangrijk worden nu robots complexere taken moeten uitvoeren. Traditionele industriële robots voeren doorgaans sterk geprogrammeerde en voorspelbare bewegingen uit. Nieuwe generaties robots moeten juist kunnen omgaan met omgevingen die voortdurend veranderen. Daarvoor moet een AI-systeem veel meer situaties hebben gezien en geleerd hoe het daarop moet reageren.
Simulatie wordt trainingsdata
Hiermee verandert ook de rol van simulatiesoftware binnen AI. Simulatie was jarenlang vooral een hulpmiddel voor engineers. Nu wordt het steeds meer een manier om trainingsdata voor fysieke AI-systemen te produceren.
Virtuele omgevingen kunnen eigenschappen zoals verlichting, materialen, beweging, botsingen en andere natuurkundige verschijnselen nabootsen. Robots kunnen daardoor miljoenen virtuele handelingen uitvoeren voordat ze in een echte productieomgeving worden ingezet.
Voor AI-professionals is vooral de combinatie met synthetische data interessant. Het verzamelen van voldoende real-world data voor fysieke situaties is vaak kostbaar en soms zelfs gevaarlijk. Een robot hoeft bijvoorbeeld niet duizenden keren daadwerkelijk tegen een obstakel te rijden om te leren dat te vermijden. Een simulatie kan dergelijke situaties vrijwel onbeperkt genereren. Daarmee ontstaat een AI-ontwikkelketen waarin digital twins, simulatie, synthetische data en robotica steeds sterker met elkaar verbonden raken.
AI wordt de gemeenschappelijke intelligentielaag
Tegelijkertijd verandert de softwarelaag boven deze systemen. Waar robots en spatial-computingtoepassingen vroeger vaak aparte, gespecialiseerde algoritmen gebruikten, ontstaan steeds meer multimodale modellen die verschillende soorten informatie gezamenlijk kunnen verwerken.
Modellen kunnen bijvoorbeeld tekst, afbeeldingen, video en ruimtelijke informatie combineren. Daarmee kunnen ze niet alleen herkennen wat een object is, maar ook begrijpen waar het zich bevindt en welke handeling ermee mogelijk is.
Een medewerker met een AR-bril kan bijvoorbeeld naar een onderdeel van een machine kijken en vragen wat het is of hoe het vervangen moet worden. Een robot die gebruikmaakt van dezelfde onderliggende AI-technologie kan dat onderdeel herkennen en vervolgens bepalen hoe het moet worden vastgepakt. Unaligned ziet AI daarom steeds meer als de gemeenschappelijke intelligentielaag tussen spatial computing en physical AI.
Mensen en robots delen dezelfde omgeving
Die ontwikkeling kan ook gevolgen hebben voor de manier waarop mensen met robots samenwerken. In een fabriek kan een technicus via een AR-bril bijvoorbeeld onderhoudsinstructies bekijken, terwijl een robot onderdelen aanvoert of inspecties uitvoert. In een magazijn kunnen medewerkers en autonome transportsystemen dezelfde ruimtelijke informatie gebruiken om routes te plannen.
Ook in sectoren als bouw, gezondheidszorg en energie zijn vergelijkbare toepassingen denkbaar. Denk aan onderhoudsrobots die samen met menselijke technici installaties inspecteren, of autonome systemen die infrastructuur controleren terwijl medewerkers via augmented reality aanvullende informatie ontvangen.
De gemeenschappelijke factor is dat mens en machine steeds vaker gebruikmaken van hetzelfde digitale beeld van hun fysieke omgeving.
Grote technologieleveranciers bewegen dezelfde kant op
De ontwikkeling is inmiddels ook duidelijk zichtbaar in de investeringen van technologiebedrijven. Nvidia combineert bijvoorbeeld zijn Omniverse-platform voor simulatie en digital twins met Isaac-technologie voor robotica. Ook bedrijven als Siemens, Hexagon, Bentley Systems, Rockwell Automation en ABB brengen AI, simulatie, digital twins en industriële automatisering dichter bij elkaar.
Tegelijkertijd werken roboticabedrijven zoals Boston Dynamics, Figure AI, Tesla, Agility Robotics en Unitree aan machines die dankzij uitgebreidere perceptie en AI steeds zelfstandiger kunnen functioneren.
Daarmee ontstaat langzaam een technologiestack waarin de grenzen tussen AI-software, simulatie, spatial computing en robotica minder duidelijk worden.
AI verlaat het beeldscherm
Voor organisaties die AI nu vooral associëren met copilots, chatbots, documentanalyse en generatieve AI is dat misschien wel de belangrijkste ontwikkeling.
De huidige golf rond generatieve AI draait grotendeels om digitale informatie. De volgende fase kan veel sterker draaien om AI-systemen die hun fysieke omgeving begrijpen.
Dat betekent dat onderwerpen als computer vision, sensordata, digital twins, simulatie en robotica steeds relevanter worden voor AI-strategieën. Vooral in productie, logistiek, bouw, energie en infrastructuur kan die ontwikkeling snel zichtbaar worden.
Scoble en Cronin verwachten uiteindelijk omgevingen waarin mensen, robots, sensoren, digital twins en AI-agents gebruikmaken van een gedeeld begrip van de fysieke wereld.
Of die volledige convergentie zo snel zal verlopen als sommige technologiebedrijven voorspellen, moet nog blijken. De richting is echter duidelijk: AI ontwikkelt zich van software die voornamelijk informatie verwerkt naar systemen die ook moeten begrijpen waar iets zich bevindt, hoe de fysieke omgeving verandert en welke actie daar vervolgens bij hoort. Daarmee krijgt AI letterlijk steeds meer handen en voeten.





0 Reacties