De verleiding is groot. Bestuurders, IT-managers en businessafdelingen willen “iets met AI”. Vaak begint die discussie bij de vraag welk model gebruikt moet worden. ChatGPT, Claude, Gemini, Copilot? Of toch een open source-model? Dat is de verkeerde startvraag, vertelt Frank Beerlage, directeur van Cloudera in de Benelux, in een interview met AI-visie.net.
Wie serieus met AI aan de slag wil, moet niet beginnen bij het model, maar bij de data. Waar staat die data? Wie heeft er toegang toe? Is de kwaliteit voldoende? Kan de organisatie die data verplaatsen als dat juridisch, technisch of financieel nodig wordt? En kan alle data, verspreid over on-premise omgevingen, colocatie-datacenters, Europese cloudproviders en hyperscalers, worden beheerd alsof het één samenhangende data-omgeving is?
“Het begint met de architectuur, het begint niet met de modellen”, zegt Beerlage. “De discussie moet gaan over: waar staat die data, wie is de eigenaar van die data?”
De AI-realiteit komt dichterbij
Volgens Beerlage bevinden veel organisaties zich op een kantelpunt. De eerste fase van generatieve AI draaide vooral om experimenteren. Medewerkers probeerden tools uit, afdelingen startten pilots en managementteams zagen vooral de snelheid waarmee nieuwe mogelijkheden beschikbaar komen. Maar nu AI-projecten richting productie gaan, worden de onderliggende problemen zichtbaar.
Beerlage vat die problemen samen in drie woorden: onbetrouwbaar, onbeheersbaar en onbetaalbaar. Niet omdat AI zelf geen waarde heeft, benadrukt hij, maar omdat de onderliggende data-architectuur bij veel organisaties nog niet klaar is voor grootschalig gebruik. “Als we op deze manier doorgaan met AI, dan gaat AI onbetrouwbaar, onbeheersbaar en onbetaalbaar worden”, zegt hij.
Die analyse sluit aan bij cijfers uit Cloudera’s Data Readiness Index 2026. Daaruit blijkt dat veel organisaties wel vertrouwen hebben in hun datastrategie, maar in de praktijk nog flinke beperkingen ervaren. Zo zegt 85 procent van de ondervraagde IT-leiders dat hun datastrategie duidelijk is gedefinieerd, terwijl 79 procent aangeeft dat data-initiatieven worden gehinderd doordat zij niet bij alle benodigde data in verschillende omgevingen kunnen. Ook zegt minder dan één op de vijf respondenten dat alle data volledig wordt beheerd en onder governance valt.
Het probleem zit onder de motorkap
AI lijkt aan de voorkant vaak eenvoudig. Een gebruiker stelt een vraag en krijgt vrijwel direct antwoord. Maar juist die eenvoud kan misleidend zijn. Een model geeft een overtuigend antwoord, ook wanneer de onderliggende data onvolledig, verouderd of slecht beheerd is. Dat maakt AI in bedrijfsomgevingen risicovol, zeker wanneer medewerkers of afdelingen gevoelige data in publieke AI-diensten laden.
Beerlage noemt het klassieke principe: “garbage in, garbage out”. Alleen wordt dat principe volgens hem in het AI-tijdperk gevaarlijker, omdat de output vaak zo professioneel oogt dat gebruikers geneigd zijn die zonder veel controle te vertrouwen.
“Wij vuren een vraag erop af en we krijgen een antwoord en dan denken wij dat het antwoord goed is”, zegt hij. “Sterker nog, wij kunnen niet meer controleren wat er gebeurt. Welke data is gebruikt, welke logica is toegepast?”
Het gaat dus om governance, security en compliance, wil hij maar zeggen. Een organisatie moet kunnen bepalen welke gebruiker of welke AI-agent toegang heeft tot welke data. Een medewerker van finance mag andere informatie zien dan iemand van HR. Een medewerker in Nederland kan andere rechten hebben dan een collega in België. En wanneer AI-agents zelfstandig taken uitvoeren of andere agents aansturen, wordt die rechtenstructuur nog belangrijker.
Volgens Beerlage hoort dit niet achteraf te worden opgelost. Het moet onderdeel zijn van de datalaag zelf. De vraag is dan niet alleen of een organisatie AI kan inzetten, maar of zij dat gecontroleerd, herleidbaar en veilig kan doen.
Eén datalaag over meerdere werelden
Een belangrijk punt in Beerlage’s verhaal is dat de discussie over data te vaak te zwart-wit wordt gevoerd. Het gaat niet om de keuze tussen “alles on-premise” of “alles in de public cloud”. In de praktijk staat data op allerlei plekken: in eigen datacenters, bij colocatiepartijen, in private cloudomgevingen, bij partners, bij Europese cloudproviders, bij Amerikaanse hyperscalers.
Die hybride werkelijkheid verdwijnt niet. Applicaties en data in de cloud blijft nuttig, zeker voor snelheid, flexibiliteit en experimenten. Maar organisaties moeten voorkomen dat hun data-architectuur zo afhankelijk wordt van één omgeving dat zij niet meer kunnen bewegen.
“We willen ook niet alles terugbrengen in huis”, zegt Beerlage. “We hadden eerst Big Data met alles on-premise, waarna de tweede golf kwam: alles in de cloud. Die werelden moeten nu samenkomen.”
Daarvoor is volgens hem een managementlaag nodig die over al die omgevingen heen kan kijken. Niet als extra rapportagelaag, maar als fundament voor governance, security, data access, dataverplaatsing en AI. Organisaties moeten data kunnen inzetten waar dat het beste past: lokaal, in een private omgeving, bij een Europese cloudprovider of bij een hyperscaler. Maar zij moeten daarbij wel controle houden over de data, de rechtenstructuur en de kosten.
Van modelkeuze naar datakeuze
In veel AI-discussies gaat opvallend veel aandacht naar de vraag welk model het beste is. Volgens Beerlage is dat begrijpelijk, maar te beperkt. Niet iedere toepassing heeft het krachtigste model nodig. Soms volstaat een kleiner model of is een specifiek open source-model al “good enough”, zeker wanneer dat dichter bij de eigen data draait en beter beheersbaar is. “Je hebt niet altijd een Rolls-Royce nodig om naar de supermarkt te gaan.”
Het punt is niet dat grote commerciële modellen geen waarde hebben. Ze kunnen uitstekend zijn voor experimenten, algemene taken of specifieke use cases. Maar bij bedrijfskritische processen moet de organisatie kunnen bepalen welke data het model ziet, waar het model draait, hoe de output tot stand komt en wat het gebruik kost. Zeker bij grootschalige uitrol naar honderden of duizenden medewerkers kunnen de tokenkosten snel oplopen.
In het interview noemt Berlage een voorbeeld van een wealth management-organisatie met een extern gehoste AI-assistent. Zij berekenden dat de pilot weliswaar relatief goedkoop was, maar dat de verdere uitrol van die assistent naar meer dan duizend gebruikers op jaarbasis miljoenen zou gaan kosten aan tokengebruik. Door een vergelijkbare functionaliteit op een eigen omgeving te draaien, vielen die tokenkosten weg en zouden de totale kosten aanzienlijk lager uitkomen.
Dat maakt AI niet alleen een technisch onderwerp, maar ook een CFO-vraagstuk. De rekening van AI is in de pilotfase vaak nog overzichtelijk. In productie kan dat snel veranderen. “Zoals veel organisaties AI tot nu toe aanpakken, is de kans groot dat de kosten enorm gaan oplopen”, zegt Beerlage. “Je moet als organisatie echt heel goed nadenken hoe je hier mee omgaat anders valt de kosten/batenanalyse al snel fors tegen.”
Niet stoppen met AI, maar volwassen worden
De boodschap van Beerlage is niet dat organisaties moeten stoppen met AI. Integendeel, hij ziet juist veel waarde in AI voor tal van toepassingen – van klantenservice tot pensioeninformatie, van telecomnetwerken tot risicoanalyse en know your customer-processen. Maar hij waarschuwt voor een te snelle sprong van experiment naar productie zonder volwassen datalaag.
Een proof of concept kan snel worden opgezet in een cloudomgeving. Dat is vaak ook logisch. Maar zodra een organisatie AI beschikbaar wil maken voor duizenden medewerkers, klanten of partners, verandert het verhaal vaak enorm. Daarom moet vooraf duidelijk zijn hoe data wordt beheerd, hoe rechten worden toegepast, hoe prompts worden vastgelegd, hoe modellen toegang krijgen tot data en hoe de omgeving kan worden aangepast of verplaatst.
“AI voor een proof of concept kunnen wij morgen doen”, zegt Beerlage. “Willen we AI voor de gehele organisatie, dan zullen we toch echt een architectuur moeten gaan bedenken.” Die architectuur moet niet alleen gericht zijn op techniek, maar ook op autonomie. Organisaties willen kunnen kiezen. Ze willen kunnen werken met Europese cloudproviders, private clouds, colocatieomgevingen, hyperscalers of eigen infrastructuur. Maar zij willen niet dat die keuze later een fuik blijkt te zijn.
Data readiness wordt bestuursvraagstuk
De Data Readiness Index van Cloudera laat zien dat veel organisaties de urgentie voelen, maar nog niet volledig klaar zijn. In het onderzoek worden data quality, cost overruns en zwakke integratie in workflows genoemd als belangrijke redenen waarom AI-projecten minder rendement opleveren dan gehoopt. Ook blijkt dat datasilo’s, ingewikkelde toegangsprocessen en beperkte zichtbaarheid in waar data staat nog steeds grote obstakels zijn.
Voor Beerlage betekent dit dat data readiness geen intern IT-project meer kan zijn. Het moet op bestuursniveau worden besproken. Zeker bij banken, pensioenfondsen, overheden, zorginstellingen en andere datagedreven organisaties is data geen bijzaak, maar juist de kern van de organisatie. “Data is het allerbelangrijkste wat we hebben”, zegt hij. “Dus we zullen ervoor moeten zorgen dat we daar op de juiste manier mee omgaan.”
Daar hoort volgens hem ook een andere manier van denken bij. Niet: welk AI-model kopen we? Maar: welke data hebben we, waar staat die, hoe betrouwbaar is die, wie mag erbij, hoe kunnen we die verplaatsen en hoe zorgen we dat AI op een veilige en betaalbare manier waarde toevoegt?
De hype voorbij
AI blijft voorlopig hoog op de agenda staan. De technologie ontwikkelt snel, de toepassingen worden concreter en de druk vanuit business en bestuur neemt toe. Maar juist daarom is een pas op de plaats nodig, stelt Beerlage. Niet om innovatie af te remmen, maar om te voorkomen dat organisaties vastlopen zodra AI echt grootschalig wordt ingezet. “Pas op de plaats is geen stap achteruit”, zegt hij. “Het is de tijd nemen na te denken wat we aan het doen zijn.”
AI gaat niet alleen over modellen, prompts en agents. De echte strategische vraag ligt dieper, vertelt Beerlage. “Wie AI betrouwbaar, beheersbaar en betaalbaar wil maken, moet beginnen bij de datalaag. Pas wanneer organisaties hun data over alle omgevingen heen kunnen beheren alsof het één geheel is, ontstaat de basis om AI verantwoord op te schalen.”





0 Reacties